Recensie

Een zaterdagmiddag van Bert Wagendorp

Wanneer je eenmaal bent doorgebroken bij het grote publiek, kun je bij de uitgever(s) wel een potje breken. Zo kun je rustig een kookboek samenstellen, over een of ander actueel onderwerp je licht laten schijnen. De schrijver wordt toch bij nacht en ontij als deskundige ingeschakeld, over om het even wel onderwerp dan ook. Een bekende kop, doorgaans een gemakkelijke prater. En er bestaat de idee-fixe bij de media dat het publiek breder wil worden geïnformeerd. Een eufemisme voor een verlies aan diepgang, voor het plezieren van de lezer die het liefst iets leest over een Bekend Mens. Kranten en tijdschriften kampen met dalende oplagecijfers, hebben een lagere verschijningsfrequentie of zijn zelfs uit de markt genomen. Redacties, bang voor hun eigen hachjes, begluren elkaar, proberen vliegen af te vangen.

Een boek waar een journalist niet bij kan ‘aanhaken’, is daarnaast vrijwel kansloos. Een actueel thema of iets dat de sensatielust bij het publiek kan bevredigen heeft de voorkeur. Een overwonnen zware ziekte, een verhaal over misbruik, allemaal prima, maar je moet het wel zelf hebben meegemaakt. Het vandaag de dag tot vervelens aan toe belangrijk gevonden autobiografische element, dat tot zoveel bekentenisliteratuur leidt. Met betrekking tot de verslavingen van Bekende Mensen bijvoorbeeld. De roman die een ogenschijnlijk eenvoudig, waarachtig verhaal vertelt, heeft het bijzonder zwaar, kan bijna niet meer losgezongen van de persoon van de schrijver bestaan. Maar dit alles enigszins terzijde.

Wat dat betreft kan men er met betrekking tot de novelle Een zaterdagmiddag van Bert Wagendorp (1956) weer lustig op los speculeren. Ook Wagendorp, begenadigd sportschrijver en sinds mensenheugenis verbonden aan de Volkskrant, ‘bezondigde’ zich na het eclatante succes van zijn roman Ventoux – vele drukken, diverse vertalingen en een verfilming – aan een soort koffietafelboek, het Vader-en-dochterboek. Maar wat zou het. Gevoelsmatig was het toch een oprecht project.

Een zaterdagmiddag wordt nergens geafficheerd als een novelle. Op het achterplat heeft men het over ‘een juweel van een vertelling’. De tekst is opgedragen aan Adri, de moeder van de schrijver. Zou het autobiografisch kunnen zijn, wordt hier een stuk familiegeschiedenis geopenbaard? Volstrekt onbelangrijk!

Een zoon, journalist, zit tegenover zijn moeder van 81. Zij vertelt eindelijk meer details over de gebeurtenis die haar leven ingrijpend heeft beïnvloed. Haar veelbelovende broertje is in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog door een Engelse bom gedood. Haar vader, een echte ouderwets statige hoofdonderwijzer, zag daardoor zijn eigen leven in duigen vallen. Lees: de droom om zijn eigen ambities eindelijk te verwezenlijken.

‘Mijn moeder heeft de woorden gevonden. De tijd heeft haar herinneringen gepolijst, afgesleten moet je misschien zeggen, zodat ze er tekst bij durft te maken. Ik zit tegenover haar, als een interviewer, dat maakt het gemakkelijker.’

De interviewer die feiten verzamelt, die niet uit is op emoties, maar die, in de functie van de schrijver, uiteraard toch probeert iets los te maken. Er ontstaat zo langzamerhand een beeld van een opa waarin menigeen van dezelfde generatie als Wagendorp zich wel zal kunnen herkennen. Vormelijk, geloofsgetrouw, altijd keurig gekleed in de verzuilde wereld, de bekende bolknak in de mond. Een degelijk zwart rijwiel om naar zijn werk als schoolhoofd te gaan. Ongetwijfeld zal Wagendorp uit zijn eigen herinnering hebben geput, maar voor het verhaal – dat zeer zeker waarachtig overkomt – doet dat, nogmaals, in het geheel niet ter zake.

Hoofdpersoon Bram is naar zijn ongelukkig gestorven oom genoemd, vertegenwoordigt vooral voor opa de nieuwe hoop, ondanks het feit dat Brams moeder niet getrouwd is en aanvankelijk weigert te vertellen wie de vader is. En dat in een protestantse gemeente in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Oom Bram hield al jong een dagboek bij, waarin hij zeer voorlijk, beschouwelijk, essayistisch was. De bejaarde moeder geeft de schriftjes aan haar zoon.

‘Al lezend in zijn schriften schuiven zijn en mijn jongste levensjaren in elkaar.’

Als opa later had geweten wie de verwekker was van zijn kleinzoon, was hij vast in zijn nopjes geweest. De zoon van een burgemeester, die in de jaren tachtig een paar jaar minister van Onderwijs is geweest. Voor de speculanten: Arie Pais, Jos van Kemenade, Wim Deetman, Gerrit Braks of Jo Ritzen. Ha. Wagendorp zelf is in Groenlo geboren en op 24 februari 1945, iets meer dan een maand voor de bevrijding, losten naar Engeland terugkerende bommenwerpers hun restantvracht abusievelijk boven dit stadje, winkels, woningen en ook de kerk zwaar beschadigend.

Het thema van deze vertelling – het verzwijgen, de ambities die ouders in hun kinderen verwezenlijkt willen zien – had gemakkelijk kunnen dienen als stof voor een roman, maar Wagendorp heeft in elk geval een duidelijke schets neergezet. Bram zegt tot slot:

‘Ik heb de hoge verwachtingen van mijn opa de schoolmeester niet waargemaakt. Ik ben journalist geworden, en niet eens hoofdredacteur. Maar er worden nu eenmaal meer verwachtingen beschaamd dan er in vervulling gaan.’

Wagendorp zelf hoeft niet vals bescheiden te zijn. Hij is bestsellerauteur en dé columnist van de Volkskrant.